Samenvatting: Waarom voelen zoveel mensen zich niet echt gehoord in de zorg? Over diagnoses die soms helpen en soms tekortschieten, de mens achter de klachten, en een mentale zorg die langzaam meer ruimte lijkt te maken voor context, ervaring en het hele verhaal.
Leestijd: 10-12 minuten
De mentale zorg is in beweging. En eerlijk? Daar heb ik lang op gewacht
Toen ik in 2008 afstudeerde, voelde ik eerlijk gezegd weinig resonantie met de manier waarop de reguliere geestelijke gezondheidszorg toen was ingericht. Psychologie fascineerde me enorm. Ik kon me eindeloos verliezen in menselijk gedrag, het brein, emoties, onderzoek en de vraag waarom twee mensen ongeveer hetzelfde kunnen meemaken en daar toch totaal verschillend op reageren. Er begon alleen iets bij mij te wringen zodra al die menselijke complexiteit vervolgens weer heel netjes teruggebracht moest worden naar categorieën, gemiddelden en protocollen.
Juist daarom koos ik destijds voor de researchmaster in plaats van de reguliere master. Ik wilde verder de wetenschap in en beter begrijpen hoe kennis eigenlijk ontstaat. Welke vraag stel je als onderzoeker? Wat besluit je vervolgens te meten? Wat blijft buiten beeld omdat het nu eenmaal niet in je onderzoeksdesign past? En wat gebeurt er wanneer je bevindingen op groepsniveau probeert te vertalen naar die ene mens die tegenover je zit?
Die nieuwsgierigheid is eigenlijk nooit weggegaan. Ik vond en vind het juist interessant om verschillende wetenschapsgebieden naast elkaar te leggen en te kijken wat er gebeurt wanneer psychologie, geneeskunde, neurowetenschappen, epidemiologie en andere disciplines elkaar raken. Soms vullen ze elkaar prachtig aan. Soms zie je ineens dat ieder vakgebied door zijn eigen raam naar dezelfde mens kijkt en daardoor ook weer iets anders ziet.
Als ik nu kijk naar de beweging die binnen de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg gaande is, voelt het ergens alsof er taal komt voor vragen die ik tijdens mijn studie al had.
Waarom Oliver Sacks mij zo greep
Misschien verklaart dat ook waarom de boeken van neuroloog Oliver Sacks zoveel indruk op mij maakten. Sacks schreef over mensen met soms zeer bijzondere neurologische aandoeningen en wist daar iets mee te doen wat ik destijds in veel wetenschappelijke teksten miste: hij liet de persoon zichtbaar blijven.
Hij beschreef natuurlijk wat er neurologisch gebeurde. Hij was arts en neuroloog en zijn observaties waren juist interessant omdat hij zijn vak zo goed kende. Tegelijkertijd wilde hij weten wat zo’n verandering betekende voor het leven van degene over wie hij schreef. Wat gebeurt er wanneer je geheugen verandert? Wanneer je waarneming ineens anders werkt dan die van de mensen om je heen? Wanneer iets wat neurologisch misschien goed te beschrijven is, ondertussen invloed krijgt op je identiteit, je relaties en de manier waarop je door de wereld beweegt?
Dat vond ik fascinerend. Je kunt precies weten welk hersengebied betrokken is bij een bepaald verschijnsel en daarmee nog steeds nauwelijks weten hoe het is om er iedere ochtend mee wakker te worden. Hoe iemand ermee leeft, wat verloren gaat, wat onverwacht overeind blijft en hoe iemand zichzelf opnieuw probeert te begrijpen.
Sacks kon heel precies kijken zonder een mens terug te brengen tot een afwijkende scan, een verzameling symptomen of een diagnose. Volgens mij is dat precies waarom zijn werk me altijd is bijgebleven.
En toen las ik: de psychiatrie is in beweging
Begin september las ik het opiniestuk van voormalig psychiater Bram Bakker bij BNNVARA: De psychiatrie is in beweging. Daar bleef ik bij hangen.
Bakker schrijft naar aanleiding van het optreden van psychiater en hoogleraar Jim van Os in Zomergasten over een ontwikkeling die Van Os al langer bepleit. Binnen de psychiatrie groeit de aandacht voor psychische ontregeling, context, kwetsbaarheid, mogelijkheden en de vraag welke zorg iemand werkelijk nodig heeft. Bakker beschrijft daarbij ook het gevaar van een soort GGZ-‘wasstraatmodel’, waarin iemand een systeem binnenkomt en vervolgens langs een vooraf ingerichte route wordt geleid. (bnnvara.nl)
Dat artikel raakte precies aan iets wat al sinds mijn studie met me meeloopt. Een model kan enorm behulpzaam zijn om iets te begrijpen, zeker wanneer je grote groepen mensen onderzoekt of professionals een gezamenlijke taal nodig hebben. Tegelijkertijd ontstaat er altijd een risico wanneer het model zo vanzelfsprekend wordt dat we minder goed blijven kijken naar degene die voor ons zit.
Ik heb me daar altijd over verwonderd. Hoe zorg je ervoor dat kennis richting geeft zonder dat de werkelijkheid zich uiteindelijk aan onze categorieën moet gaan aanpassen?
De DSM-5 en de grenzen van een diagnose
De DSM heeft jarenlang een belangrijke rol gespeeld binnen de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg. Het systeem geeft professionals een gezamenlijke taal en maakt het mogelijk om symptomen op een gestandaardiseerde manier te classificeren. Dat heeft duidelijke voordelen, zeker in onderzoek en communicatie tussen zorgverleners.
Tegelijkertijd vertelt een classificatie maar een deel van het verhaal. Ook de huidige Nederlandse GGZ-standaarden maken daarom onderscheid tussen een DSM-classificatie en bredere diagnostiek. Daarbij hoort aandacht voor iemands voorgeschiedenis, sociale omstandigheden, psychologische factoren, lichamelijke factoren, dagelijks functioneren en de betekenis die klachten binnen iemands leven hebben. (ggzstandaarden.nl)
Dat onderscheid vind ik belangrijk. We hebben binnen de wetenschap lang gezocht naar steeds specifiekere categorieën voor depressie, angst, ADHD, psychose, persoonlijkheidsproblematiek en allerlei andere psychische klachten. Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek steeds duidelijker dat de grenzen tussen zulke categorieën veel minder strak zijn dan ze op papier soms lijken.
Genetische kwetsbaarheden, psychologische processen en omgevingsfactoren kunnen over verschillende psychiatrische diagnoses heen lopen. Daardoor groeit ook de aandacht voor zogenaamde transdiagnostische modellen, waarin onderzoekers kijken naar processen die bij verschillende vormen van psychisch lijden terugkomen. (nature.com)
Jim van Os ging daar in februari 2026 in Nature behoorlijk ver in. Hij stelde dat de psychiatrie volgens hem minder energie zou moeten steken in het steeds verder verfijnen van diagnostische labels en veel meer in de vraag welke zorg iemand nodig heeft. (nature.com)
Zo’n uitspraak levert natuurlijk discussie op. En dat vind ik eigenlijk gezond.
Een diagnose kan ook iets geven
In gesprekken over de DSM en psychiatrische diagnoses ontstaat al snel het beeld dat je vóór of tegen labels zou moeten zijn. Zelf heb ik weinig met zulke absolute posities. De werkelijkheid is daarvoor te ingewikkeld.
Klinisch psycholoog en hoogleraar psychodiagnostiek Paul van der Heijden reageerde bijvoorbeeld op de uitspraken van Van Os. Hij onderschrijft dat psychiatrische classificaties beperkingen hebben en dat context in het verleden soms onvoldoende ruimte kreeg, en wijst er tegelijkertijd op dat moderne psychodiagnostiek juist probeert om die bredere context mee te nemen. (psychologie.nl)
Voor sommige mensen kan een diagnose bovendien veel betekenen. Eindelijk woorden krijgen voor iets wat jarenlang onbegrijpelijk voelde, kan opluchten. Een classificatie kan toegang geven tot behandeling of helpen om aan anderen uit te leggen waarom bepaalde dingen zoveel moeite kosten.
De vraag die mij interesseert begint daarom eigenlijk pas daarna. Wat gebeurt er wanneer iemand eenmaal een diagnose heeft gekregen? Blijven we nieuwsgierig naar wie die persoon is, wat eraan voorafging, hoe diens omgeving eruitziet en welke betekenis de klachten binnen dat specifieke leven hebben? Of wordt het label vanzelf het grootste deel van het verhaal?
Want iemand kan dezelfde DSM-classificatie hebben als duizenden anderen en toch een totaal ander leven leiden.
De geestelijke gezondheidszorg kijkt steeds meer naar context
Binnen de geestelijke gezondheidszorg zie je inmiddels een bredere beweging ontstaan. Herstelgerichte zorg, ervaringskennis, sociale omstandigheden en samenwerking buiten de muren van de traditionele GGZ krijgen steeds meer aandacht.
Het Trimbos-instituut beschrijft bijvoorbeeld hoe herstel, empowerment en ervaringsdeskundigheid inmiddels door steeds meer GGZ-instellingen worden omarmd. Zo’n ontwikkeling vraagt volgens Trimbos veel meer dan het invoeren van een nieuwe behandelmethode. Het raakt aan de cultuur binnen een organisatie en aan de vraag hoeveel zeggenschap iemand zelf krijgt over zijn herstelproces. (trimbos.nl)
Daarnaast wordt in Nederland gewerkt met het Ecosysteem Mentale Gezondheid, vaak afgekort als GEM. Daarin worden GGZ, huisartsenzorg, het sociaal domein, herstelinitiatieven en andere vormen van ondersteuning sterker met elkaar verbonden. Het uitgangspunt is dat mentale gezondheid zich nu eenmaal afspeelt binnen een volledig mensenleven en daarmee ook raakt aan wonen, relaties, werk, geld, zingeving en sociale verbinding. (umcutrecht.nl)
Dat vind ik een interessante ontwikkeling. Mensen leven tenslotte ook niet in aparte vakjes. Een verlies kan invloed hebben op werk, slaap, relaties en lichamelijke gezondheid. Financiële stress kan maandenlang doorwerken in hoe iemand zich voelt en functioneert. Eenzaamheid, mantelzorg, ziekte of jarenlang over je grenzen gaan kunnen allemaal onderdeel worden van een psychisch verhaal.
Wanneer al die gebieden in het dagelijks leven voortdurend door elkaar heen lopen, is het logisch dat mentale zorg steeds meer zoekt naar manieren om daar ook in de begeleiding rekening mee te houden.
Zelfs de wetenschap zelf begint anders te kijken
Hier gaat mijn onderzoekende kant ook gewoon van aan. De verandering speelt namelijk ook binnen de wetenschap zelf.
Binnen de complexiteitswetenschappen wordt mentale gezondheid steeds vaker bekeken als een dynamisch systeem waarin biologische, psychologische en sociale factoren elkaar voortdurend beïnvloeden. Daarmee verschuift de aandacht van één duidelijke oorzaak naar patronen van onderlinge beïnvloeding. Dat sluit veel beter aan bij hoe mensen in werkelijkheid leven, omdat gedrag, omgeving, relaties, lichamelijke gezondheid en eerdere ervaringen zelden los van elkaar bestaan.
Onderzoekers Dineke Smit en Jim van Os schreven daar in 2022 al over in het Tijdschrift voor Psychiatrie. Zij stellen onder andere de vraag of de wetenschap de ontwikkelingen binnen de GGZ voldoende kan volgen wanneer onderzoek sterk blijft leunen op lineaire oorzaak-gevolgmodellen en groepsgemiddelden. (researchinformation.umcutrecht.nl)
Dat soort vragen vind ik nog steeds ontzettend interessant. Een randomized controlled trial kan bijvoorbeeld heel waardevolle informatie opleveren over de gemiddelde werkzaamheid van een behandeling binnen een bepaalde groep. Vervolgens blijft de vraag bestaan hoe die bevinding uitpakt voor degene die morgen tegenover je zit, met diens geschiedenis, relaties, lichaam, karakter, omgeving en alles wat op dat moment meespeelt.
Iedere onderzoeksmethode kijkt door een bepaalde lens. Daar zit haar kracht en tegelijk haar begrenzing. Voor mij wordt wetenschap juist interessant wanneer we ons daar bewust van blijven en verschillende vormen van kennis naast elkaar durven leggen.
Psychische klachten bestaan altijd binnen een leven
De behoefte aan goede mentale zorg is ondertussen groot. Volgens de meest recente cijfers uit het Nederlandse NEMESIS-3-onderzoek voldeed ongeveer 26 procent van de volwassenen tussen 18 en 75 jaar in een periode van twaalf maanden aan de criteria voor één of meerdere psychische aandoeningen. Dat komt neer op ongeveer 3,3 miljoen mensen. (trimbos.nl)
Dat zijn enorme aantallen. En zulke cijfers roepen bij mij vanzelf allerlei vragen op. Natuurlijk wil je weten welke psychische klachten mensen hebben en welke behandeling daarbij kan helpen. Tegelijkertijd wil ik weten wat er rondom die klachten gebeurt.
Hoe leven we eigenlijk? Hoeveel druk vinden we inmiddels normaal? Wat gebeurt er met iemand die jarenlang mantelzorgt, schulden heeft, rouwt, wordt buitengesloten, altijd sterk probeert te blijven of voortdurend over zijn eigen grenzen heen gaat? Welke rol spelen werk, relaties, bestaanszekerheid, gezondheid en het gevoel ergens bij te horen?
Psychisch lijden heeft nooit één simpele verklaring. Juist daarom vind ik het belangrijk dat we blijven kijken naar het hele leven waarin klachten ontstaan en voortbestaan.
En daar komt voor mij het persoonlijke verhaal weer binnen
Hier kom ik uiteindelijk weer terug bij Oliver Sacks. En eerlijk gezegd ook bij Samirise.
Een persoonlijk verhaal kan iets zichtbaar maken wat in gemiddelden gemakkelijk verdwijnt. Hoe het werkelijk was om ergens te staan. Welke ene zin iemand twintig jaar later nog hoort. Waarom een gebeurtenis die voor de buitenwereld misschien klein leek zoveel invloed kreeg. Wat iemand verloor zonder dat daar ooit een vakje voor bestond.
Verhalen laten ook zien hoe verschillend mensen op ogenschijnlijk vergelijkbare gebeurtenissen kunnen reageren. De ene persoon vindt woorden in een diagnose, de ander voelt zich er juist door beperkt. De één heeft veel aan een protocol, terwijl een ander pas verder komt wanneer iemand eindelijk vraagt wat er eigenlijk allemaal gebeurd is.
Dat soort persoonlijke ervaringen zijn binnen wetenschappelijk onderzoek lastig volledig te vangen. Ze bevatten wel degelijk informatie. Ze laten zien waar onze categorieën misschien te grof zijn, waar iets onverwachts gebeurt en waar de werkelijkheid ingewikkelder blijkt dan ons model.
Dat is een van de redenen waarom ik zo in Samirise geloof. De wetenschap kan patronen zichtbaar maken en persoonlijke verhalen kunnen laten zien hoe zo’n patroon er van binnenuit uitziet. Samen geven ze een rijker beeld van mens-zijn.
De mentale zorg is echt in beweging
Toen ik in 2008 afstudeerde, wist ik niet precies hoe de geestelijke gezondheidszorg er volgens mij uit zou moeten zien. Daar heb ik ook nu geen pasklaar antwoord op. Daarvoor is mentale gezondheid veel te complex en zijn mensen onderling veel te verschillend.
Wat ik wel zie, is beweging. Er komt meer aandacht voor context, herstel en ervaringskennis. De vanzelfsprekendheid van sommige diagnostische categorieën wordt onderzocht. Verschillende disciplines zoeken elkaar vaker op. En binnen de wetenschap zelf ontstaan nieuwe manieren om naar psychische klachten en mentale gezondheid te kijken.
Dat spreekt me aan, juist omdat het ruimte laat voor nieuwsgierigheid. Voor zorgvuldig onderzoeken, voor bijstellen en voor erkennen dat een model altijd maar een deel van de werkelijkheid kan bevatten.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat ik in 2008 al zocht. Een geestelijke gezondheidszorg waarin we heel veel weten, heel goed onderzoeken en ondertussen nieuwsgierig genoeg blijven naar de mens die nooit volledig in onze theorieën past.
Want hoeveel we ook leren over het brein, psychische klachten, diagnostiek en behandeling, er blijft altijd nog een verhaal over dat alleen die ene persoon zelf kan vertellen.
Wil jij hierover jouw verhaal delen? Voel je meer dan welkom